Clubfitting Essentials - Deel 5: Frequency Matching en Spine-Alignen
Saturday 12 May 2007

Vandaag een stukje over Frequency Matching en Spine-Alignen van shafts. Laten we beginnen bij het begin; buigprofielen en ‘Spines’ van shafts. De USGA (en R&A) stelt in haar materiaalregelgeving dat een golfshaft ‘op elk bewegingsvlak een gelijksoortig buigprofiel moet vertonen’. Hiermee doelt de USGA op het feit dat een shaft, onafhankelijk van hoe hij geïnstalleerd is, altijd hetzelfde buigprofiel zou moeten hebben en dus niet sterker of zwakker mag buigen afhankelijk van de oriëntatie.

Was deze regel oorspronkelijk ingevoerd om de shaftfabrikanten te dwingen hun fabricagemethoden te perfectioneren en uniformiteit in te voeren, sinds enkele jaren is er wetenschappelijk aangetoond dat shafts altijd één of meerdere ‘harde’ kanten hebben, waarbij een shaft wel degelijk een ander buigprofiel heeft op het moment dat deze anders georiënteerd wordt in de club. Hierdoor wordt de regulering zoals door de USGA is opgelegd min of meer buitenspel gezet.

Deze ‘harde kant’ (ook Spine genoemd) ontstaat doordat shafts (in ons voorbeeld graphite shafts) een beginpunt hebben waarop de vezels worden vastgelijmd en vervolgens worden samengedraaid. Op dit beginpunt zal de shaft een stuk stugger zijn en buiging meer weerstaan dan op plekken waar niet zo’n hoge concentratie vezels en epoxy aanwezig is. Om te achterhalen waar de ‘Spine’ van de shaft zit, wordt de shaft onder druk gezet, terwijl hij aan de uiteinden is vastgezet in een aantal kogellagers. De shaft zal automatisch buigen op zijn zwakste plek, waardoor we weten hoe de shaft normaliter zal reageren op het moment dat de energie uit uw swing ‘loskomt’ in uw downswing. Doordat we weten welke kant een shaft het meeste opbuigt, kunnen we door oriëntatie van de shaft in uw club in principe bepalen dat uw golfclub een ‘voorkeur’ gaat hebben voor draw, fade of rechtdoor.

Gelukkig heeft de USGA haar regelgeving enigszins aangepast en schrijft aan clubmakers en fabrikanten voor dat een shaft slechts op een specifieke manier geïnstalleerd mag worden, zodat de club een ‘rechtdoor’ voorkeur krijgt zodra bekend is welke ‘Spine’ dominant is in het buigprofiel van de shaft. Dit om bijvoorbeeld notoire slicers niet teveel te helpen. Door deze regulering is het in feite niet meer toegestaan een shaft dusdanig te installeren dat de club een bepaalde balvluchtvoorkeur heeft. In de praktijk komt het echter nog regelmatig voor dat spelers hun clubmakers vragen de Spine op een bepaalde manier te oriënteren, er is namelijk niemand die u op de baan vraagt even uw club te deassembleren en te laten checken op Spine-oriëntatie. Hier is helaas (ook met deze regelgeving) weinig aan te doen.

Buigprofielen van shafts kunnen worden weergeven door middel van FLO, Flat Line Oscillation. Hierbij wordt een klein laserlichtje aan de punt van de shaft bevestigd en wordt de shaft verticaal geoscilleerd om te zien of de shaft in een rechte verticale lijn beweegt, of dat er ook sprake is van zijwaartse afwijking. In alle shafts is deze afwijking standaard aanwezig, bij shafts van hoge kwaliteit (100+ euro) is dit echter duidelijk minder ernstig dan bij shafts van ‘standaard’ kwaliteit. Hoe kleiner de zijwaartse oscillatie, des te geringer de afwijking bij een on-center shot. Het goed oriënteren van de dominante Spine van uw shaft reduceert de spreiding in uw slagen.

Laat ik het kort en krachtig samenvatten; op standaardshafts (de shafts waar u waarschijnlijk mee speelt) is de afwijking in buigprofiel onderling vaak enorm, waarbij het ene ijzer u bij een perfecte swing wellicht een afwijking naar rechts geeft, terwijl het andere een afwijking naar links zou kunnen geven. Aanschaf van een goede kwaliteit after-market shaft (bijvoorbeeld graphite shafts van 50 euro of meer per stuk) is compleet onzinnig wanneer u niet ook aandacht laat besteden aan de oriëntatie van de shaft in uw club. De meerwaarde van een hoge kwaliteit shaft komt pas volledig tot uiting wanneer hij op de juiste manier is geïnstalleerd, iets dat wij voor u bij ClubworX kunnen verzorgen.

Naast het oriënteren van de Spines in uw shafts, is er voor clubmakers nog een methode beschikbaar om ervoor te zorgen dat u het maximale voordeel haalt uit de techniek in uw shafts. We hebben het dan over het ‘Frequency Matchen’, een methode waarbij we de stijfheid van de shafts op meerdere punten doormeten en vervolgens bepalen in welke volgorde (en met welke aanpassingen) de shafts het beste in uw clubs geïnstalleerd kunnen worden. Normaliter houden we een bepaalde ‘stijfheidprogressie’ aan als we een set opbouwen. Dat wil zeggen; niet elke shaft is precies even stijf, al zouden de labels op de shafts u dat doen geloven. De enige manier om de stijfheid van een shaft te bepalen, is door middel van een Frequency Analyzer, een machine die aan de hand van een dynamische meting bepaalt hoeveel CPM (Cycles per minute) een shaft oscilleert. Hoe vaker een shaft oscilleert, des te stijver de shaft. Producenten geven shafts veelal een indicatie van stijfheid door het toekennen van een letter, bijvoorbeeld ‘R’ voor Regular en ‘S’ voor Stiff.

In realiteit worden deze waarden bepaald door een selectie op gewicht en aantal CPM, dit doet men in de fabriek waar de shafts worden geproduceerd. Normaliter zit er een marge van 10 CPM op een stijfheidsgroep, een shaft kan ‘R’ zijn bij 251 CPM, maar ook bij 261 CPM. Alles afhankelijk van de definitie die de shaftfabrikant aanhoudt, de ene fabrikant zal een shaft als R kwalificeren waar een andere dat als een S ziet. Binnen hetzelfde model echter zijn de classificaties hetzelfde. Uw shafts zijn uiteindelijk dus niet allemaal even stijf, en dat is maar goed ook.

In de fabriek gebruikt men sets met shafts kant-en-klaar uit de doos, zonder deze na te meten op frequentie, voor assemblage van uw golfsets. In het beste geval gaat (van de 8 shafts die nodig zijn voor een set 3-PW) de slapste shaft in het laagste ijzer (het ijzer-3) en de stijfste shaft in de PW of het ijzer-9. Dit omdat een ijzer-3 lastiger te slaan is en de wat slappere shaft zal assisteren bij het slaan van de bal. Naarmate de ijzers korter worden, zal de stijfheid toenemen. Dit kan praktisch niet anders, doordat de shafts aan de dunne kant verder worden ingekort bij hogere ijzers dan bij lagere ijzers. Er blijft meer ‘dikke’ shaft over, waardoor de shaft stijver speelt.

Samenvattend; als we 8 shafts gebruiken voor installatie, zijn ze niet alle 8 even stijf, en als we het de golfer makkelijk willen maken, gaat de slapste shaft in het laagste ijzer en loopt de stijfheid per ijzer in gelijke stappen (van 4-6 CPM) op

In de fabriek, waar het overweldigende merendeel van de golfclubs meteen van shafts wordt voorzien, wordt geen aandacht besteed aan het nameten van de flexibiliteit van de shafts. Tevens wordt er niet gewerkt volgens bovenstaande samenvatting. Hierdoor kan het goed zijn dat de stijfste shaft in uw moeilijkste ijzer komt, en de slapste shaft in het makkelijkste ijzer. De 6 andere ijzers vertonen ook praktisch nooit een juist frequentieverloop.

Misschien helpt een voorbeeld u om te begrijpen wat ik bedoel; Als u gitaar wilt spelen, dan doet u dat het liefst met een gitaar die juist gestemd is, u wilt een hogere klank bij elke ‘lagere’ snaar die u speelt. Het speelt prettig omdat u weet wat u kunt verwachten. Een gitaar die volledig verkeerd gestemd is, is lastig te bespelen. Hetzelfde geldt voor de clubs in uw tas. Wanneer uw shafts niet het juiste verloop in stijfheid vertonen, spelen uw clubs niet optimaal. Misschien wordt u wel tegengewerkt door uw eigen clubs! De betere clubmaker/clubfitter kan u helpen door uw clubs te voorzien van ‘Frequency Matched’ shafts.